Het stille lijden van Suriname

In Suriname werken duizenden mensen zich elke dag kapot. Ze ploeteren van maandag tot vrijdag, soms zelfs in het weekend, maar het geld is nooit genoeg. Een brood kost bijna een dagloon, de elektriciteitsrekening stijgt maandelijks, en medicijnen? Die zijn voor velen een onbereikbare droom. Als socialistisch analist zie ik een land dat langzaam wegzakt in armoede, terwijl de rijken steeds rijker worden.

Neem het verhaal van mevrouw Wong uit Paramaribo. Zij werkt als schoonmaakster in twee kantoren. Toch kan ze amper schoolspullen betalen voor haar kinderen. “Ik skip vaak maaltijden zodat zij kunnen eten”, vertelt ze. Of kijk naar de jonge Marvin, die na zijn middelbare school geen werk vindt. Hij droomde van een toekomst, maar zit nu thuis. “Er is geen plezier meer. Alles draait om overleven”, zegt hij.

De cijfers liegen niet. Volgens recente rapporten leeft 40% van de Surinamers onder de armoedegrens. De inflatie is ontploft, en banen verdwijnen. Toch blijft de regering miljoenen uitgeven aan prestigeprojecten, zoals glimmende overheidsgebouwen, terwijl ziekenhuizen geen verbandmiddelen hebben.

Waar is het levensplezier gebleven? Vroeger vierden buurten samen feesten, nu hangt er een zware stilte. Mensen durven niet meer te dromen. De jeugd ziet geen toekomst en vlucht soms naar illegale activiteiten.

Dit systeem faalt. Het kapitalisme wurgt de gewone mens. Wat nodig is? Een eerlijke verdeling van middelen. Hogere minimumlonen, gratis onderwijs, en belastingen voor de rijken. De overheid moet investeren in wat écht telt: haar mensen. Alleen zo kan Suriname weer ademen.

De woorden op dat protestbord kloppen: “SOMETHING NEEDS TO CHANGE.” Maar verandering begint niet met woorden. Het begint met actie. Voor mevrouw Wong. Voor Marvin. Voor iedereen die het verdient om te léven, niet alleen te overleven.

error: Kopiëren mag niet!