Napoleon zei ooit: “Oorlog is wanneer de overheid je vertelt wie je vijand is. Revolutie is wanneer je het zelf uitzoekt.”
In Suriname, waar politiek vaak een schimmenspel is tussen macht en identiteit, klinkt die uitspraak als een spiegel van de geschiedenis. Net als een keizer die door onzichtbare handen wordt gedreven, zo lijkt de politiek hier soms een toneelstuk waarbij de regisseur voortdurend wisselt.
In de koloniale tijd werd de vijand duidelijk aangewezen: het Nederlandse gezag, de plantage-econonomie. Na de onafhankelijkheid in 1975 werd de vijand vaak gezocht in het buitenland, of in eigen kring – zoals tijdens het militaire bewind van Desi Bouterse, toen oppositie en burgers het doelwit werden van een systeem dat vijanden creëerde om zichzelf te rechtvaardigen. Dat was de “oorlog” zoals Napoleon die beschreef: een top-down vertelling over loyaliteit en bedreiging.
Maar Suriname kent ook revolutie. In 1987, na jaren van onderdrukking, keerden burgers zich tegen het verhaal van de keizer. Ze organiseerden zich, protesteerden, en dwongen een einde aan het militaire regime. Ze zochten zelf uit wie hun bondgenoten waren: vakbonden, vrouwen, jongeren, inheemse leiders. Dat was geen gemakkelijke eenheid, maar een mozaïek van stemmen die weigerden gedefinieerd te worden door andermans agenda.
Vandaag de dag blijft de vraag: wie bepaalt wie de vijand is? De politiek blijft proberen het volk in rijen te drijven, maar de Surinaamse geschiedenis laat zien dat revolutie niet één moment is, maar een proces. Het is het moment dat burgers weigeren keizers te volgen en zelf de kaart van het verzet tekenen. Daar ligt de kracht van een volk dat geleerd heeft tussen de regels door te kijken – en te kiezen.